Wet Medezeggenschap Clienten Zorginstellingen (WMCZ)
Wet van 1 juni 1996,
houdende regels ter bevordering van de medezeggenschap van de cliënten van uit
collectieve middelen gefinancierde zorgaanbieders op het terrein van de
maatschappelijke zorg en gezondheidszorg (Wet medezeggenschap cliënten
zorginstellingen).
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij
in overweging genomen hebben, dat het gewenst is wettelijke regels te stellen
ter bevordering van de medezeggenschap van de cliënten van uit collectieve
middelen gefinancierde instellingen op het terrein van de maatschappelijke zorg
en gezondheidszorg; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. instelling: 1§. een bejaardenoord als bedoeld in de Wet op de
bejaardenoorden;
2§. een op grond van de Ziekenfondswet of de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten erkende of als erkend aangemerkte instelling;
3§. elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch
verband waarin maatschappelijke zorg of gezondheidszorg wordt verleend en dat
wordt gefinancierd:
a. door de Ziekenfondsraad op grond van artikel 39, derde lid, onder h, van de
Wet financiering volksverzekeringen;
b. door Onze Minister, een gemeente of een provincie op grond van de
Welzijnswet 1994, voor zover het betreft uitvoerend werk op het terrein van
maatschappelijke hulpverlening in verband met zwangerschap, adoptie, seksueel
geweld en alleenstaand-ouderschap, thuislozenzorg, buitenschoolse kinderopvang,
gecoördineerd ouderenwerk, de handhaving of bevordering van de mogelijkheden
voor ouderen om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen, het algemeen
maatschappelijk werk, alsmede vrouwenopvangcentra, algemene crisisopvangcentra,
FIOM-huizen, blijf-van-mijn-lijf-huizen, kinderdagverblijven en peuter-
speelzalen;
4§. elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisa- torisch
verband waarin verslavingszorg wordt verleend en dat wordt gefinancierd door
Onze Minister, een gemeente of een provincie;
c. zorgaanbieder:
1§. een rechtspersoon of natuurlijke persoon, die een instelling in stand
houdt;
2§. de rechtspersonen of natuurlijke personen, die gezamenlijk een instelling
in stand houden;
d. cliënt:
een natuurlijk persoon ten behoeve van wie de instelling werkzaam is.
2. Bij ministeriële regeling kunnen in de maatschappij als zelfstandige eenheid
optredende organisatorische verbanden waarin maatschappelijke zorg of
gezondheidszorg wordt verleend en die, anders dan op grond van een wettelijke
bekostigingsregeling door Onze Minister worden gefinan- cierd, worden
aangemerkt als instelling in de zin van deze wet.
3. Deze wet is niet van toepassing op justitiële inrichtingen voor verpleging
van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 90 quinquies, tweede lid, van
het Wetboek van Strafrecht.
HOOFDSTUK II. CLIëNTENRADEN
Artikel 2
1. De zorgaanbieder stelt voor elke door hem in stand gehouden instelling een
cliëntenraad in, die binnen het kader van de doelstellingen van de instelling
in het bijzonder de gemeenschappelijke belangen van de cliënten behartigt.
2. De zorgaanbieder regelt schriftelijk:
a. het aantal leden van de cliëntenraad, de wijze van benoeming, welke personen
tot lid kunnen worden benoemd en de zittingsduur van de leden;
b. de materiële middelen van de instelling, waarover de cliëntenraad ten
behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken.
3. De in het tweede lid bedoelde regeling is zodanig dat de cliëntenraad:
a. redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor de cliënten en
b. redelijkerwijze in staat kan worden geacht hun gemeenschappelijke belangen
te behartigen.
4. De cliëntenraad regelt schriftelijk zijn werkwijze met inbegrip van zijn
vertegenwoordiging in en buiten rechte.
5. De kosten van het voeren van rechtsgedingen door de cliëntenraad, zoals
bedoeld in artikel 10, tweede lid, komen slechts ten laste van de zorgaanbieder
indien deze van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.
6. Na vaststelling van de in het tweede lid bedoelde regeling treft de
zorgaanbieder de voorzieningen die op grond van die regeling noodza- kelijk
zijn voor de benoeming van de leden van de cliëntenraad. De zorgaanbieder treft
de bedoelde voorzieningen opnieuw telkens wanneer de cliëntenraad gedurende
twee jaren niet heeft gefunctioneerd wegens het ontbreken van het in de
regeling vastgestelde aantal leden.
Artikel 3
1. De zorgaanbieder stelt de cliëntenraad in ieder geval in de gelegenheid
advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit dat de instelling betreft,
inzake:
a. een wijziging van de doelstelling of de grondslag;
b. het overdragen van de zeggenschap of fusie of het aangaan of verbreken van
een duurzame samenwerking met een andere instelling;
c. de gehele of een gedeeltelijke opheffing van de instelling, verhuizing of
ingrijpende verbouwing;
d. een belangrijke wijziging in de organisatie;
e. een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de
werkzaamheden;
f. het benoemen van personen die rechtstreeks de hoogste zeggen- schap zullen
uitoefenen bij de leiding van arbeid in de instelling;
g. de begroting en de jaarrekening;
h. het algemeen beleid inzake de toelating van cliënten en de beëin- diging van
deze zorgverlening aan cliënten;
i. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemeen beleid op het
gebied van de veiligheid, de gezondheid of de hygiëne en de geestelijke
verzorging van, maatschappelijke bijstand aan en recreatie- mogelijkheden en
ontspanningsactiviteiten voor cliënten;
j. de systematische bewaking, beheersing of verbetering van de kwaliteit van de
aan cliënten te verlenen zorg;
k. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van
klachten van cliënten en het aanwijzen van personen die belast worden met de
behandeling van klachten van cliënten;
I. wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, en de
vaststelling of wijziging van andere voor cliënten geldende regelingen;
m. het belasten van personen met de leiding van een onderdeel van de
instelling, waarin gedurende het etmaal zorg wordt verleend aan cliënten die in
de regel langdurig in die instelling verblijven.
2. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het van wezenlijke
invloed kan zijn op het te nemen besluit.
3. De cliëntenraad is bevoegd de zorgaanbieder ook ongevraagd te adviseren
inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen, die voor de
cliënten van belang zijn.
Artikel 4
1. De zorgaanbieder neemt geen van een schriftelijk door de cliëntenraad
uitgebracht advies afwijkend besluit dan nadat daarover, voor zover dat
redelijkerwijze mogelijk is, ten minste eenmaal met de cliëntenraad overleg is
gepleegd.
2. Ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onder i
tot en met m, neemt de zorgaanbieder, behoudens voor zover het besluit door de
zorgaanbieder moet worden genomen krachtens een wettelijk voorschrift, geen van
een door de cliëntenraad schriftelijk uitgebracht advies afwijkend besluit,
tenzij de commissie, bedoeld in artikel 10, heeft vastgesteld dat de
zorgaanbieder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn
voornemen heeft kunnen komen.
3. De zorgaanbieder doet van een besluit inzake een onderwerp waarover de
cliëntenraad schriftelijk advies heeft uitgebracht, schriftelijk, en voor zover
hij van het advies afwijkt onder opgave van redenen, mededeling aan de
cliëntenraad.
4. Een besluit van de zorgaanbieder, genomen in strijd met het tweede lid, is
nietig, indien de cliëntenraad tegenover de zorgaanbieder schriftelijk een
beroep op de nietigheid heeft gedaan. De cliëntenraad kan slechts een beroep op
de nietigheid doen binnen een maand nadat de zorgaanbieder hem zijn besluit
heeft medegedeeld dan wel, bij gebreke van deze mededeling, de cliëntenraad is
gebleken dat de zorgaanbieder uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit.
Artikel 5
1. De zorgaanbieder verstrekt de cliëntenraad tijdig en, desgevraagd,
schriftelijk alle inlichtingen en gegevens die deze voor de vervulling van zijn
taak redelijkerwijs nodig heeft.
2. De zorgaanbieder verstrekt de cliëntenraad voorts ten minste eenmaal per
jaar mondeling of schriftelijk algemene gegevens omtrent het beleid dat in het
verstreken tijdvak is gevoerd en in het komende jaar zal worden gevoerd.
Artikel 6
1. De zorgaanbieder kan aan de cliëntenraad schriftelijk verder gaande
bevoegdheden dan de in deze wet genoemde toekennen. Een zodanig besluit wordt
schriftelijk aan de cliëntenraad medegedeeld.
2. De zorgaanbieder stelt de cliëntenraad in de gelegenheid advies uit te
brengen over een voornemen een besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid
en over het voornemen een zodanig besluit te wijzigen. Artikel 4 is van
overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK III. BESTUURSSAMENSTELLING
Artikel 7
1. Indien de zorgaanbieder een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 3 van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voorzien de statuten in een regeling die
waarborgt dat de cliënten invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van het
bestuur. De bedoelde regeling houdt ten minste in dat één bestuurslid wordt
benoemd op bindende voordracht van de cliëntenraad of cliëntenraden, tenzij
deze van de mogelijkheid een voordracht te doen, geen gebruik heeft
onderscheidenlijk hebben gemaakt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuur van een
zorgaanbieder bestaat uit één of meer personen die deze functie uitoefen1 of
uitoefenen op grond van een arbeidsrelatie waaraan een geldelijke beloning is
verbonden. In dat geval is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de
samenstelling van het orgaan dat is belast met het toezicht op of goedkeuring
van besluiten van het bestuur.
HOOFDSTUK IV. OPENBAARHEID
Artikel 8
De zorgaanbieder stelt jaarlijks een schriftelijk verslag op over de wijze
waarop ten aanzien van de instelling deze wet is toegepast.
Artikel 9
1. De zorgaanbieder maakt binnen tien dagen na vaststelling openbaar
a. het jaarverslag;
b. op schrift gestelde uitgangspunten voor het beleid, waaronder begrepen de
algemene criteria, welke bij de zorgverlening worden gehanteerd;
c. de notulen en de besluitenlijst van de vergaderingen van het bestuur, voor
zover deze algemene beleidszaken betreffen;
d. een regeling inzake de behandeling van klachten van cliënten en andere voor
cliënten geldende regelingen, alsmede een regeling als bedoeld in artikel 2,
tweede lid;
e. het verslag, bedoeld in artikel 8.
2. De openbaarmaking geschiedt door de stukken voor cliënten ter inzage te
leggen en hen op verzoek daarvan afschriften te verstrekken.
3. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan op de in de instelling voor
het doen van mededelingen aan cliënten gebruikelijke wijze.
4. Voor het op verzoek verstrekken van afschriften kan een tarief in rekening
worden gebracht, ten hoogste gelijk aan de kostprijs, tenzij ten aanzien van de
instelling de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is.
HOOFDSTUK V. NALEVING
Artikel 10
1. De zorgaanbieder stelt in overeenstemming met de cliëntenraad of
cliëntenraden een uit drie leden bestaande commissie van vertrouwens- lieden
in, waarvan een lid door hem wordt aangewezen, een lid door de cliëntenraad of
cliëntenraden kan worden aangewezen en een lid door de beide andere leden wordt
aangewezen, of wijst een door een of meer cliëntenorganisaties en een of meer
organisaties van zorgaanbieders ingestelde commissie van vertrouwenslieden aan,
die tot taak heeft te bemiddelen en zonodig een bindende uitspraak te doen:
a. op verzoek van de cliëntenraad, in geschillen met de zorgaanbieder over de
uitvoering van de artikelen 3, 4, eerste en derde lid, 5, eerste lid, en 9;
b. op verzoek van de zorgaanbieder, indien deze ten aanzien van een onderwerp,
genoemd in artikel 3, eerste lid, onder i tot en met m, waarover door de
cliëntenraad een schriftelijk advies is uitgebracht, een van dat advies
afwijkend besluit wenst te nemen.
2. De cliëntenraad en iedere cliënt van de instelling kunnen de kantonrechter
van de woonplaats van de zorgaanbieder schriftelijk verzoeken de zorgaanbieder
te bevelen de artikelen 2, 5, tweede lid, 7 en 8 en het eerste lid van dit
artikel na te leven. Een verzoeker die niet vooraf schriftelijk aan de zorgaanbieder
heeft verzocht te handelen overeen- komstig hetgeen in het verzoekschrift is
verzocht en deze daarbij niet een redelijke termijn heeft gegeven om aan dat
verzoek te voldoen, wordt niet-ontvankelijk verklaard.
3. De kantonrechter kan in zijn beschikking aan de zorgaanbieder de
verplichting opleggen bepaalde handelingen te verrichten of na te laten.
4. De bepalingen van de derde afdeling van de vijfde titel van het tweede boek
van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK VI. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 11
In artikel 7 van de Wet op de bejaardenoorden' worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1. In het tweede lid vervalt onderdeel b.
2. De aanduiding van de onderdelen c tot en met e wordt gewijzigd in b tot en
met d.
3. Het derde lid vervalt.
Artikel 12
Artikel 6, derde lid, van de Wet voorzieningen gezondheidszorg' vervalt.
Artikel 13
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede
kalendermaand na de maand van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst, met dien verstande dat:
a. de zorgaanbieder uiterlijk drie maanden na het tijdstip van inwerking-
treding een regeling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, vaststelt;
b. de zorgaanbieder uiterlijk drie maanden nadat de onder a bedoelde regeling
is vastgesteld, de voorzieningen treft, die op grond van die regeling
noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van de cliëntenraad;
c. de artikelen 3 en 4 buiten toepassing blijven ten aanzien van besluiten,
genomen voor de datum van benoeming van de leden van de cliëntenraad;
d. de statuten van de zorgaanbieder uiterlijk zes maanden na het tijdstip van
inwerkingtreding in overeenstemming zijn met artikel 7.
2. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de
zorgaanbieder aan enig orgaan dat in het bijzonder werkzaam is ter behartiging
van de gemeenschappelijke belangen van cliënten in de instelling, bevoegdheden
of materiële middelen zijn toegekend, behoudt dat orgaan die bevoegdheden en
materi‰le middelen tot het tijdstip met ingang waarvan de leden van de
cliëntenraad met toepassing van deze wet zijn benoemd. Voor zover de bedoelde
bevoegdheden verder gaan dan de in deze wet genoemde, worden die bevoegdheden
eveneens toegekend aan de cliëntenraad, behoudens overeenkomstige toepassing
van artikel 6, tweede lid, juncto artikel 4.
3. Qp het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet treden de artikelen 429a
tot en met 429r van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in werking voor
zaken op grond van artikel 10, tweede lid. Voor die zaken geldt artikel 345 van
dat Wetboek niet.
Artikel 14
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet medezeggenschap cliënten
zorginstellingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 29 februari 1996
Beatrix
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. G. Terpstra
Uitgegeven de vierde april
1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager